Inklingo

Spaanse vraagfrasen

Beheers 82 essentiële Spaanse zinnen voor vragen met vertalingen, context en gebruiksvoorbeelden

82 zinnenAlle niveausAudio & voorbeelden

Spaanse Vragen-zinnen begrijpen

Beheer de kunst van het stellen van vragen in het Spaans. Van basis informatievragen tot complexe onderzoeken, leer vraagwoorden (qué, cómo, dónde, cuándo, por qué, quién), passende grammaticale structuren en natuurlijke vraagpatronen.

Wanneer gebruik je deze zinnen

Vragen in het Spaans gebruiken omgekeerde vraagtekens aan het begin (¿) en behouden vraagwoordvolgorde. De stem stijgt aan het einde voor ja/nee-vragen. In informeel spreken kunnen vragen statementwoordvolgorde gebruiken met stijgende intonatie.

Leertips voor Vragen-zinnen

  • Leer de 7 sleutelvraagwoorden: qué, cómo, dónde, cuándo, por qué, quién, cuál
  • Onthoud: vraagwoorden hebben altijd accenten (¿cómo?)
  • Ja/nee-vragen voegen vaak eenvoudig ¿? toe aan statements: "¿Hablas inglés?"
  • Tag-vragen gebruiken "¿verdad?" "¿no?" of "¿cierto?" aan het einde

Essentiële Vragen-zinnen

Begin met deze veelgebruikte uitdrukkingen voor vragen-situaties

Volledige lijst van Vragen-zinnen

82 van 82 zinnen weergegeven
Dat is een goede vraag

Dat is een goede vraag

Es una buena pregunta

A2neutral
de sleutel voor de kamer

de sleutel voor de kamer

la llave de la habitación

A1neutral
Gaat alles goed?

Gaat alles goed?

¿Todo bien?

A2neutral
Heb je dit in een andere kleur?

Heb je dit in een andere kleur?

¿Lo tiene en otro color?

A1formal
Heb je een zwembad?

Heb je een zwembad?

¿Tienes piscina?

A1informal
Heb je huisdieren?

Heb je huisdieren?

¿Tienes mascotas?

A1informal

Heb je kinderen?

¿Tienes hijos?

A1informal

Hebt u korting?

¿Tienen algún descuento?

A2neutral

Heeft u dit in een andere maat?

¿Lo tienes en otra talla?

A1neutral/informal

Heeft u kamers vrij?

¿Tiene habitaciones disponibles?

A2formal

Hoe kom ik bij...?

¿Cómo llego a...?

A1neutral

Hoe laat gaan jullie open?

¿A qué hora abren?

A1neutral

Hoe laat gaat de volgende bus?

¿A qué hora sale el próximo autobús?

A2neutral

hoe laat is het ontbijt

¿A qué hora es el desayuno?

A1neutral

Hoe laat is het uitchecken?

¿A qué hora es la salida?

A2neutral

Hoe laat is het?

¿Qué hora es?

A1neutral

Hoe laat sluiten jullie?

¿A qué hora cierran?

A1neutral

Hoe lang duurt het om naar ... te komen?

¿Cuánto se tarda en llegar a...?

A2neutral

Hoe oud ben je?

¿Cuántos años tienes?

A1informal

Hoe spel je dat?

¿Cómo se escribe eso?

A1neutral

Hoe ver is het?

¿A qué distancia está?

A1neutral

Hoe zeg je dit in het Spaans?

¿Cómo se dice esto en español?

A1neutral

Hoeveel kost dit?

¿Cuánto cuesta?

A1neutral

Ik begrijp het niet

No entiendo

A1neutral

Ik ben verdwaald

Estoy perdido / perdida

A1neutral

Ik heb een vraag

Tengo una pregunta

A1neutral

Ik weet het niet

No sé

A1neutral

Is deze stoel vrij?

¿Está ocupado?

A2neutral

Is er iemand die Engels spreekt?

¿Hay alguien que hable inglés?

A1neutral

Is er wifi op de kamer?

¿Hay wifi en la habitación?

A1neutral

Is het pittig?

¿Pica?

A1neutral

Is het ver van hier?

¿Está lejos de aquí?

A2neutral

Kunt u dat herhalen?

¿Puedes repetir eso, por favor?

A1neutral

Mag ik dit passen?

¿Puedo probármelo?

A2neutral

Mag ik mijn bagage hier bewaren?

¿Puedo guardar mi equipaje aquí?

A2neutral

Pardon / Neem me niet kwalijk

Perdón

A1neutral

Rechtdoor gaan

Sigue todo recto

A1neutral

rechtsaf slaan

Gira a la derecha

A1neutral

Sla linksaf

Gira a la izquierda

A1informal

Spreek je Engels?

¿Hablas inglés?

A1informal

Vind je het leuk om te dansen?

¿Te gusta bailar?

A1informal

Voor hier of om mee te nemen

¿Para comer aquí o para llevar?

A1neutral

Waar ben je geweest?

¿Dónde has estado?

A2neutral

Waar denk je aan?

¿En qué piensas?

B1informal

waar is de ambassade

¿Dónde está la embajada?

A1neutral

Waar is de bushalte?

¿Dónde está la parada de autobús?

A1neutral

Waar is de dichtstbijzijnde apotheek?

¿Dónde está la farmacia más cercana?

A1neutral

Waar is het dichtstbijzijnde ziekenhuis?

¿Dónde está el hospital más cercano?

A1neutral

Waar is het politiebureau?

¿Dónde está la estación de policía?

A1neutral

Waar is het toilet?

¿Dónde está el baño?

A1neutral

Waar is het treinstation?

¿Dónde está la estación de tren?

A1neutral

Waar is het vliegveld?

¿Dónde está el aeropuerto?

A1neutral

Waar kan ik een auto huren?

¿Dónde puedo alquilar un coche?

A2neutral

Waar kan ik kopen...?

¿Dónde puedo comprar...?

A1neutral

Waar kom je vandaan?

¿De dónde eres?

A1informal

Waar woon je?

¿Dónde vives?

A1informal

Waar zijn de paskamers?

¿Dónde están los probadores?

A1neutral

Wat bedoel je?

¿Qué quieres decir?

A2informal

Wat ben je aan het doen?

¿Qué haces?

A1informal

Wat betekent dit?

¿Qué significa esto?

A1neutral

Wat denk je?

¿Qué piensas?

A2informal

Wat ga je vanavond doen?

¿Qué vas a hacer esta noche?

A2neutral

Wat heet dit?

¿Cómo se llama esto?

A1neutral

Wat is de datum vandaag?

¿Cuál es la fecha de hoy?

A1neutral

Wat is er gebeurd?

¿Qué pasó?

A2neutral

Wat is er in de aanbieding?

¿Qué está en oferta?

A1neutral

Wat is het dagmenu?

¿Cuál es el especial del día?

A1neutral

Wat is het vandaag?

¿Qué día es hoy?

A1neutral

Wat is het wifi-wachtwoord?

¿Cuál es la contraseña del wifi?

A1neutral

Wat is je favoriete kleur?

¿Cuál es tu color favorito?

A1neutral

Wat is je naam?

¿Cómo te llamas?

A1informal

Wat is uw beroep?

¿Cuál es tu profesión?

A2neutral

Wat is uw e-mailadres?

¿Cuál es tu correo electrónico?

A1neutral

Wat is uw telefoonnummer?

¿Cuál es tu número de teléfono?

A1informal

Wat voor sporten doe je?

¿Qué deportes practicas?

A2neutral

Wat zijn je hobby's?

¿Cuáles son tus pasatiempos?

A2neutral

We are looking for

Estamos buscando

A2neutral

Weet je het zeker?

¿Estás seguro?

A2informal

Wil je met me trouwen?

¿Te quieres casar conmigo?

B1romantic

Wil je mijn vriendin zijn?

¿Quieres ser mi novia?

B1romantic

Wil je mijn vriendje zijn?

¿Quieres ser mi novio?

B1informal

Zit de fooi erbij inbegrepen?

¿La propina está incluida?

A1neutral

Veelgestelde vragen over Spaanse Vragen-zinnen

Wat zijn de basisvraagwoorden in het Spaans?

De hoofdvraagwoorden zijn: ¿Qué? (Wat?), ¿Cómo? (Hoe?), ¿Dónde? (Waar?), ¿Cuándo? (Wanneer?), ¿Por qué? (Waarom?), ¿Quién/Quiénes? (Wie?), ¿Cuál/Cuáles? (Welke?), ¿Cuánto/a/os/as? (Hoeveel?).

Hoe vorm je ja/nee-vragen in het Spaans?

Voeg ¿? toe aan een uitspraak met stijgende intonatie: "¿Hablas español?" (Spreek je Spaans?). Of inverteer onderwerp en werkwoord: "¿Tienes tiempo?" (Heb je tijd?). In informeel spreken, til gewoon je stem aan het einde van een statement.

Wat is het verschil tussen "¿Qué?" en "¿Cuál?" in het Spaans?

"¿Qué?" vraagt om definities of verklaringen: "¿Qué es esto?" (Wat is dit?). "¿Cuál?" vraagt naar selectie of keuze: "¿Cuál prefieres?" (Welke verkies je?). Voor zelfstandige naamwoorden gebruik "qué": "¿Qué libro?" niet "¿Cuál libro?".

Heb je meer vragen over het leren van Spaanse zinnen? Bekijk onze complete zinnengids or ontdek onze leermiddelen.

Gerelateerde zinnencategorieën verkennen

Vergroot je Spaanse communicatievaardigheden met zinnen uit deze gerelateerde onderwerpen

Alle Spaanse zinnencategorieën bekijken

Klaar om meer Spaanse zinnen te beheersen?

Verken onze complete collectie Spaanse zinnen geordend op categorie, situatie en moeilijkheidsgraad. Perfect voor beginners tot gevorderde leerders.

Alle Spaanse zinnen bekijken →